‘Geen leven in Georgië zonder voetbal’

‘Er is maar één Arveladze’, schalde het pas nog van de B-side tijdens NAC-AZ. De Bredase fans hadden het uiteraard niet over Shota, de sluipschutter in Alkmaarse dienst, maar over broer Archil. Met zijn droeve ogen na weer een gemiste kans veroverde hij voor eeuwig een plek in de harten van het NAC-publiek. Het fenomeen, dat in 2001 voor twee jaartjes naar Keulen verhuisde en daarna uit beeld raakte, is thans directeur van een voetbalschool in Tbilisi in zijn vaderland Georgië.

// BN/DeStem, 22-10-2005 // foto’s: Badri Ketiladze //

Khavtaradze Avenue, Tbilisi. In de voortuin van school 35 loopt een ventje van amper zeven jaar oud, spelend met een voetbal. Balverliefd, zoals veel Georgiërs. Tijd om naar de wc te gaan heeft hij dus niet. Snel doet het jong even de broek naar beneden om te plassen, niet beseffend dat de directeur vanuit zijn kamer toekijkt.
Archil Arveladze (32) kan erom lachen. Hij is geen man van de harde lijn. Bij zijn aantreden als directeur, zes maanden eerder, telde de voetbalschool zevenhonderd leerlingen. Door zijn bekendheid staat de teller inmiddels op 1200, voor volgend seizoen verwacht hij wel tweeduizend scholieren. Eigenlijk zou de voormalig international streng moeten selecteren. “Maximaal zou ik tweehonderd spelers willen. Maar ja, ik kan de andere ouders toch niet vertellen dat hun kind niet goed genoeg is? Dat nemen ze me de rest van hun leven kwalijk. De sport is hier net zo populair als in Brazilië. Zonder voetbal geen leven. Iedereen droomt ervan prof te worden.”

Geen wonder, als voetbal vaak de enige mogelijkheid is te ontsnappen aan een naargeestige stad als Tbilisi. Het oude centrum, met zijn fraai gerestaureerde regeringsgebouwen en huizen met krakkemikkige houten balkonnetjes, heeft nog wel zijn charme. Maar de rest van de stad lijdt nog steeds onder de gevolgen van de zeven decennia van Russische heerschappij sinds 1921. In de buitenwijken bladderen de grijze, communistische woontorens langzaam af. In bouwvallige kiosken proberen mensen wat te verdienen. Een grauwe deken van uitlaatgassen maakt het decor compleet.
In deze omgeving moet Archil Arveladze dus nieuwe talenten klaarstomen. Op school 35 – een overblijfsel uit de Sovjet-tijd, waarin scholen een nummer in plaats van een naam kregen – volgen de leerlingen regulier onderwijs. Maar de helft traint er ook vier keer per week, onder begeleiding van gediplomeerde oefenmeesters. In Georgië is ‘35′ synoniem voor technisch begaafde voetballers. De broers Arveladze, Temur Ketsbaia (Newcastle United), Kaka Kaladze (AC Milan) en Levan Kobiashvili (Schalke 04): allemaal genoten ze hun opleiding aan de school. “We hebben een traditie hoog te houden van trainen op techniek. Net als in Nederland.”

Alleen beschikken voetbalscholen als die van Ajax over prachtige accommodaties. Archil Arveladze huist in een desolaat gebouw, zijn directeurskamer (’hier is decennia niets veranderd’) zou een museum over de jaren zeventig kunnen zijn. Vooral de antieke kluis verdient een speciale vermelding. Bij de ingang zit veertig uur per week een oude vrouw de deur open te houden, voor een maandsalaris van twintig dollar. “Nog zo’n overblijfsel uit de Sovjet-tijd. Ze zat er al toen ik hier studeerde.” Wel wijst hij met enige trots op de nieuwste aanwinsten: twee kleine kunstgrasveldjes. Het grootste terrein, dat nu nog vol keien ligt, krijgt over twee maanden een nieuw tapijt. ”

De vorige directeur bleef achter zijn bureau wachten tot er geld kwam. Ik ben meteen gaan lobbyen, zo kon ik met 200.000 euro dit kunstgras financieren. Pepsi gaat ons sponsoren, ik heb ze om wat geld gevraagd. Waarom niet? We beginnen met hen ook een sportcafé naast de school. Ik heb liever dat de leerlingen cola drinken dan andere shit gebruiken.”
Hij kreeg zijn nieuwe baan bij toeval. De burgemeester vroeg hem wie het best directeur kon worden van de school. Archil bracht advies uit, maar bedacht even later dat hijzelf natuurlijk de ideale man voor deze job was. Sindsdien moderniseert hij in hoog tempo. Nou ja, relatief hoog, het blijft Georgië natuurlijk. Binnenkort neemt hij een dertienjarig talentje mee naar Nederland, om te kijken of er een samenwerking mogelijk is met de jeugdopleidingen van Ajax of AZ. “Iedereen kan voetballen als een Braziliaan. Het ontbreekt ze vaak aan één ding: discipline. We denken meteen dat we de beste van de wereld zijn.”

De oorsprong van de ‘liever lui dan moe’-houding ligt in de Sovjet-tijd. De dokter, telefoon, gas, licht en water, het was allemaal gratis. Hard werken werd niet beloond. De ouders van Arveladze, beiden arts, moesten het doen met 120 dollar per maand. “Bijna niemand was rijk, maar helemaal niemand was écht heel arm. Oké, echt heel ruim was het niet, net genoeg om te ademen”, lacht hij.
Die relatieve zekerheid verviel met de onafhankelijkheid in 1991. Het kapitalisme deed van de ene op de andere dag zijn intrede, twee burgeroorlogen en de terreur van straatbendes droegen ook niet echt bij tot stabiliteit in het land. Zo werd de broer van topvoetballer Kaka Kaladze (AC Milan) in 2001 ontvoerd in Tbilisi; na een mislukte overdracht van losgeld is hij nog steeds spoorloos. In zulke onzekere omstandigheden was het in de Kaukasus ineens vechten om te overleven. “En jonge gasten dachten dus dat ze het helemaal gemaakt hadden als ze bij Dinamo Tbilisi speelden en een auto hadden.”
Dan begint het pas, weet hij uit eigen ervaring. “Ik had echt niet alleen succes omdat ik toevallig goed kan voetballen. Gelukkig luistert de nieuwste generatie in elk geval naar me. Ik vertel ze dat ze Engels en Duits moeten leren, zelfs wanneer je een supertalent bent; anders kun je nooit slagen in het buitenland. Als je alleen in geld geïnteresseerd bent, red je het niet. Eerst hard werken. Ze moeten niet vergeten dat in dit land vijftien procent echt rijk is, vijftien procent een beetje rijk en de rest heeft flink problemen om een baan te vinden en elke dag voedsel te hebben.”

Langs de weg van school naar het nationale stadion probeert een zwerver zonder broek zich op het trottoir te warmen aan een vuurtje, daarmee het betoog van Arveladze onderstrepend. Onder de nieuwe president Mikhail Saakashvili, aan de macht sinds de geweldloze Rozenrevolutie van eind 2003, gaat het wel langzaam beter. Minder corruptie, minder geweld en (heel) langzaam meer buitenlandse investeerders in dit kruispunt van Europa en Azië.
Het hypermoderne World Soccer Café, gelegen naast het bouwvallige stadion, zou symbool kunnen staan voor betere tijden. In de op Amerikaanse leest geschoeide zaak hangen tal van gesigneerde shirts. Van Johan Cruijff en Zinedine Zidane tot het geel-zwart van Archil Arveladze bij NAC. Ook thuis heeft hij nog een ingelijst exemplaar. Plus een miniversie voor zijn zoontje. Plus een hele verzameling foto’s. “De drie mooiste jaren van mijn carrière”, mijmert hij, druk gesticulerend als altijd, over de periode vanaf 1997. “De band met supporters was ongelooflijk. Mijn vrouw moest huilen toen ik daar afscheid nam.”

Toch had het maar weinig gescheeld of hij was al na één seizoen verdwenen uit Breda. Dick Advocaat verkaste van PSV naar Glasgow Rangers en wilde de spits meenemen. Het voorcontract was al getekend, maar NAC vroeg tien miljoen gulden terwijl de Schotten niet verder dan de helft gingen. “Op mijn plek haalden ze Andrei Kanchelskis.”
Zijn carrière liep uiteindelijk heel anders, verzucht hij. Met NAC degradeerde Arveladze. Na een jaartje eerste divisie (en een seizoen later weer promotie) koos hij in 2001 voor FC Köln, dat financieel twee keer zoveel bood als NAC. “En trainer Ewald Lienen wilde me per se hebben.”
Na een succesvol eerste jaar raakte hij met knieproblemen aan het sukkelen. Via allerlei omzwervingen tekende de aanvaller in 2004 een nieuw contract bij Lokomotiv Tbilisi, maar kruisband- en meniscusletsels bleken hardnekkig. “Begin dit jaar vertelde de dokter me dat het beter was geen profvoetbal meer te bedrijven. Ik had nooit voor Duitsland moeten kiezen. De eerste 25 dagen kregen we elke ochtend een duurloop! Dat heeft mijn knie kapot gemaakt.”
28 jaar en zeven maanden oud was hij bij zijn laatste officiële wedstrijd. Nooit meer zal Archil schitteren in het nationale elftal, zoals ooit voor 110.000 toeschouwers thuis tegen Duitsland. Een partijtje meedoen met de kinderen op school is vaak al een te grote opgave voor zijn knie. Soms loopt hij ook buiten het veld te hinken. “Als ik in Breda was gebleven, zou ik nog steeds voetballen. Daar is het geen wedstrijdje hardlopen op de training.”
Hij haalt glunderend herinneringen op aan Pierre (door hem consequent Peter genoemd) van Hooijdonk. Earnie Stewart. Tony Lokhoff. Die gekke John Karelse. Natuurlijk, hij houdt van zijn Georgië. Met vrouw en twee kinderen woont hij dicht bij zijn ouders en broer Revaz, die vice-president is van de Georgische voetbalbond. ‘Maar je bent hier alleen bezig met problemen oplossen, niet met dingen beter maken.’

Het zou daarom mooi zijn, mijmert Archil Arveladze , om in wat voor functie dan ook weer bij NAC aan de slag te gaan. Dichtbij zijn oude voetbalmakkers, dichtbij zijn twintig minuten oudere tweelingbroer Shota, met wie hij nog elke dag drie uur aan de telefoon hangt. Binnenkort, als Archil Arveladze in Nederland is, zal hij eens langs Breda rijden. Om voetbal te kijken? “Als NAC thuis speelt in die periode uiteraard wel. Maar ik ga in elk geval even naar het casino.”