//
Jongens als makkelijke prooi

Jongens als makkelijke prooi

Een kapotte kringspier vormt voor Mark de pijnlijke herinnering aan zijn jeugd, in de jaren vijftig. De priester van een dorpje in de Achterhoek verkrachtte hem soms drie keer per week. Die periode liet diepe kerven achter, lichamelijk en geestelijk. Maar jongens praten er niet over als zij slachtoffer zijn van misbruik. Pas tientallen jarenlater zocht Mark de dader op.Hij durft er nu over te praten. Een monoloog.

// BN/DeStem, 8 september 2001 // foto: Jet Budelman //

“Ik kom uit een gezin van zes kinderen. We woonden in een dorp in de Achterhoek, een echt rooms-katholiek milieu. We waren een keurig, gerespecteerd gezin, gingen netjes elke week naar de kerk. De priester was zelfs een huisvriend van ons. En omdat vader veel van huis weg was in verband met het werk, had hij vrij spel. Ik was ook een makkelijke prooi: als je pa vaak afwezig is, ga je als kind nu eenmaal snel op zoek naar ander mannelijk contact.
Het begon op mijn zevende. Eerst mocht ik bij Latijnse les op schoot komen zitten, omdat ik zogenaamd zo goed was. Later begon hij me te strelen, kussen, tongzoenen. Ik was totaal overdonderd. Ik had wel het gevoel dat er iets niet klopte, maar wist niet wat. Ik wist alleen dat vader deze dingen nooit deed bij mij.
De priester speelde het heel slim. Hij deed wat bijna alle daders van seksueel misbruik doen: hij betaalde zwijggeld. Daardoor raakte je al snel gevangen in een web van leugens waar je niet uit kon ontsnappen. Zo kreeg ik ooit een mooi kinderhorloge. Moest ik thuis liegen dat ik in de pastorietuin had gewerkt. Nou, ik heb nog nooit ook maar één aardbei geplukt. Ik moest natuurlijk steeds linea recta naar zijn kamer komen, waar hij me verkrachtte. Ik was gewoon een gebruiksvoorwerp voor de lust van een ander.

Klokken
In het begin zorgde hij er ook voor dat ik bijzondere klusjes kreeg. Mocht ik bijvoorbeeld de klokken luiden, dat was een eer in het dorp. Moest ik alleen wel een half uur eerder komen, me helemaal uitkleden en het touw vasthouden. Hij trok dan zelf aan het touw, elke keer dat ik naar beneden kwam duwde hij een vinger in mijn anus. Echt bizar. Kwam je thuis, zei je moeder: ‘Dat klokken luiden deed je hartstikke goed, jongen, je mag morgen weer’.
Thuis vertelde ik helemaal niets. Ik had het gevoel dat niemand mijn verhaal zou geloven. Hij deed het altijd op plekken waar niemand hem kon betrappen: in de klokkentoren, een schuurtje, de pastorie of achter een struik. Priesters konden in een rooms-katholiek milieu sowieso niet veel fout doen, waren geziene figuren in het dorp. Bovendien moest ik elke keer bij hem en niet bij een ander op de biecht. Dan vertelde hij dat hij met God had gepraat en dat die het allemaal goed vond. Wie was ik dan om bezwaren te hebben?
Het misbruik hield uiteindelijk vijf of zes jaar aan. Soms verkrachtte hij me twee of drie keer per week. Moest ik op een houten plank gaan liggen, nam hij me van achteren. Ik leerde me op een gegeven moment geestelijk volledig af te sluiten als hij weer met me bezig was. Zocht ik een afleiding, ging ik bijvoorbeeld knoesten tellen in de klokkentoren.
Op een dag nam hij me mee naar de polder. Dat deed hij wel vaker. Ik moest gaan liggen, hij trok zich af en kwam klaar op mijn sleutelbeen. Vreselijk. Ik keek ondertussen naar de zon. Het was heel raar, maar op dat moment dacht ik: ‘Als ik de zon kan zien, kunnen moeder en mijn broertjes en zusjes dat ook’. Ik realiseerde me ineens dat ik niet alleen was. Ik rende onmiddellijk hard weg, voor het eerst verweerde ik me. Daarna is het gestopt. Ik zorgde ervoor om alleen nog samen met pa en ma naar de kerk te gaan en probeerde onder mijn diensten als misdienaar uit te komen. Drie weken later al was de priester verdwenen, naar een of ander land in de Derde Wereld. Doodsbang dat het misbruik ontdekt zou worden, bleek later.

Vol verwarring bleef ik achter, middenin de puberteit, met een enorm schuldgevoel. Omdat ik steeds had gelogen over de cadeautjes, had ik het gevoel dat ik zelf had meegewerkt aan het misbruik. Bovendien verweert een beetje jongen zich natuurlijk in de machocultuur. Je bent een watje als je je laat misbruiken, men gaat denken dat je homoseksueel bent. Dat verklaart ook waarom zo veel mannen pas jaren later met hun verhaal naar buiten komen.
Ik kreeg haargroei, erecties, zaadlozingen. Ik vond dat vreselijk, omdat het me deed denken aan de priester. Daarom kreeg ik een enorme afkeer van mijn lijf. Ik kreeg bijvoorbeeld een hekel aan de geur van transpiratie, omdat hij vaak zweette. Ik ging me obsessief douchen, soms wel vijf of zes keer per dag, en ging me tot bloedens toe schrobben. Maar hoe hard ik ook poetste, ik werd niet rein.

Jeugdliefde
Ik had tegelijkertijd veel moeite m’n gevoelens te uiten, kon nooit intiem worden met iemand. Ik was redelijk in mijzelf gekeerd. Tot mijn eenentwintigste had ik alleen maar zwaaivriendinnetjes. Pas daarna kreeg ik iets met mijn jeugdliefde, waar ik later ook mee trouwde. Bij haar voelde ik me veilig, het vrijen deed er niet zo toe. Ik was bijvoorbeeld nog heel bang om in het donker te vrijen, omdat de priester dat ook vaak deed. Zulke dingen kunnen heel lastig zijn in een relatie. Uiteindelijk gingen we na zeven jaar ook uit elkaar.
Gelukkig was er eind jaren zestig, begin jaren zeventig genoeg afleiding van mijn problemen. Ik had altijd een volle agenda, stortte me in mijn studie en werd erg actief in de krakersbeweging. Het voelde heerlijk om zakjes verf naar de mobiele eenheid te gooien. Daar zat een hoop agressie in, maar bij mij zat er veel meer achter. Ik had mijn gevoelens gewoon niet verwerkt.
Dat realiseerde ik me pas nadat mijn vader overleed op mijn 29e. Ik ging naar de therapeut om te praten over het verlies van mijn vader, tegelijkertijd kwam een hele hoop ander leed naar boven. Dat was heel opluchtend, een enorm intensieve periode. Ik ontmoette weer het kind in mijzelf, mijn oorspronkelijke ‘ik’ die gestopt was met leven toen ik zeven jaar was. Het misbruik had gewoon een enorme snee in mijn leven gemaakt. Nu leerde ik mezelf weer accepteren, kreeg ik zelfvertrouwen en kwam ik in contact met mijn vrienden. Het isolement was doorbroken.
Het ging me vervolgens een aantal jaren voor de wind. Ik kreeg een relatie met een kleurrijke vrouw die hield van feesten. Op het werk ging het goed. Maar zo rond mijn veertigste ging de relatie uit en verviel ik opnieuw in oude gedragspatronen.
Ik ging opnieuw in therapie en vertelde voor het eerst wat er precies gebeurd was. Het sluitpunt van die behandeling was een ontmoeting met de dader. Nog steeds had ik nachtmerries van hem, daarom wilde ik het beeld van die man wissen uit mijn geheugen. Het duurde lang voordat ik hem had gevonden. Hij bleek inmiddels zeventig jaar en rector in een bejaardentehuis. Ik kondigde mijzelf aan als ‘bezoek van vroeger’. Op het moment dat ik de kamer binnen liep herkende ik hem meteen. Net als zijn geur trouwens.

Heilzaam
Ik wilde niet op hem lopen schelden of hem slaan of zo. Ik wilde me niet tot zijn niveau verlagen. Ik had ervoor gekozen om te vertellen wat voor effect zijn daden op mijn leven hadden, hoe hard ik heb moeten werken om er iets van te maken. Uiteindelijk hebben we zeventig minuten gepraat. Aan het eind zei hij: ‘Ik ben blij dat u gekomen bent om het met mij en God goed te maken’.
Dat was zo verschrikkelijk vuil. Alsof het allemaal mijn schuld was geweest. Het gesprek was voor mij wel heel heilzaam. Opeens viel mijn trauma weg. Het is nu geparkeerd in mijn leven, niet meer manifest aanwezig. Ik kon opeens echt gevoelens tonen en ontvangen, werd ook opeens enorm verliefd. Altijd wilde ik al vader worden, door alle sores was het daar nooit van gekomen. Nu ben ik vader. Eindelijk heb ik rijpe rust in mijn leven.”

Om privacyredenen is de naam van de geïnterviewde gefingeerd. Zijn echte naam is bij de redactie bekend.

Post to Twitter Post to Facebook Send Gmail

Twitter

Recente artikelen

Nicholas Kirkwood maakt popart met schoenen
January 4, 2012
By Bas Timmers
Best of 2011: de films
December 29, 2011
By Bas Timmers
Best of 2011: de concerten
December 28, 2011
By Bas Timmers

Mijn bedrijf