‘Nie maawe mar staawe’
Met een Rotterdamse mentaliteit verlosten de Kruikenzeikers zich de afgelopen vijftien jaar van het imago van lelijke, grauwe industriestad. In de zesde plaats van het land voltrok zich een Wirtschaftswunder. Door popcentrum 013, de Rock Academie en de almaar groeiende KUB staat Tilburg tegenwoordig zelfs bekend als swingende studentenstad. “We hebben geen binnenstad met middeleeuwse pleintjes, maar veel belangrijker is dat hier van alles gebeurt.”
// BN/DeStem, 30 maart 2002 // foto: Ingrid Bertens //
Cees Becht was zijn naam, maar in de volksmond zal hij eeuwig voortleven als Cees de Sloper. In 1957 werd hij burgemeester, precies in de periode waarin de textielindustrie in Tilburg met donderend geraas instortte. De zestig textielfabrieken die aan 18.000 man werk boden, verdwenen binnen tien jaar door de concurrentie van landen met lagere lonen. De laaggeschoolde fabrieksarbeiders bleven werkloos achter.
Becht wist wel een oplossing om de patiënt te reanimeren. Hij sloopte het oude stadhuis en de Koningswei, een authentieke arbeiderswijk middenin het centrum. Daarvoor in de plek kwamen brede wegen en hoge flats, zoals de Katterug aan de oostkant van het huidige gemeentehuis.
“Hij wilde er een echte stad van maken, een metropool als Rotterdam”, gruwt architect George Bedaux nu. “Dat was zijn grootste fout. Hij brak de mooiste stadskernen af. Wat de Duitsers nagelaten hadden, deed Becht alsnog. Daar is die stomme flat op de Katterug een overblijfsel van. En eigenlijk zouden ze het hele Koningsplein nog eens plat moeten gooien en opnieuw opbouwen.”

Uit die grauwe periode in de jaren zestig en zeventig stamt het imago van Tilburg als lelijke, saaie en arme gemeente. “Ik had zelf ook een beeld van een suffe wolstad, toen ik in 1972 hier kwam wonen”, bekent Frans Boekema, professor in de economie aan de KUB. “In die periode zag het er vooral economisch niet goed uit. Tilburg was een verouderde, ingezakte stad zonder vitaliteit. De mentaliteit was: we mogen niet boven het maaiveld uitsteken.”
Het is een dorpsmentaliteit die zijn oorsprong vindt in de veertien buurtschappen (zoals Korvel, Oerle en Hasselt), die in het eind van de negentiende eeuw langzaam naar elkaar groeiden om samen Tilburg te vormen. Dat verklaart meteen de lelijke lintbebouwing tussen de vroegere dorpen en het ontbreken van een oud centrum, zoals Breda en Den Bosch wel hebben. “Daardoor hebben sommige mensen middenin het centrum nog steeds een tuin”, weet Henk van Doremalen. “Heel apart voor een stad met bijna 200.000 inwoners. Maar eigenlijk is dit nog steeds één groot dorp.”
De historicus/journalist schreef boeken vol over de Tilburgse historie. Hij kent de eigenzinnige, bescheiden bewoners door en door. “Het is heel typisch voor een Tilburger om te maawe . Ze klagen nogal snel, vervolgens doen ze het gewoon.”
Die instelling is niet alleen volgens Van Doremalen de redding geweest voor de stad. “In Breda heerst een beetje een regentenmentaliteit. Hier steken we meer de handjes uit de mouwen”, vertelt Wilbert van Herwijnen, wethouder van cultuur. “Net als in Rotterdam. Daar zeggen ze altijd niet lullen maar poetsen, hier roepen we nie maawe mar staawe.”
Furore
Eind jaren zeventig zijn de eerste tekenen van herstel. Dienstverlenende sectoren als onderwijs en zorg nemen langzaam de plek in die de fabrieken en de kerk achterlaten. De populariteit van de KUB blijkt een aardige graadmeter voor de toestand van de stad. “Dit was altijd een klein universiteitsstadje waar je bij voorbaat niet ging studeren. Totdat de economische faculteit furore ging maken. Het klinkt ongelooflijk, maar die behoort nu tot de top van de wereld”, zegt Van Doremalen.
De komst van Fuji naar de Kruikenstad in 1984 is een andere belangrijke opsteker. De industrie komt weer naar de stad, een proces dat versneld wordt door het aantreden vier jaar later van burgemeester Gerrit Brokx. “Sectoren als metaal en dienstverlening waren al in opkomst, maar de rest van het land wist dat niet”, weet professor Boekema. “Daarom deden wij als wetenschappers Brokx de suggestie om Tilburg te gaan verkopen als moderne industriestad. Hij heeft het oude beeld van de stad doorbroken.”
In tien jaar tijd verandert de gemeente compleet. De burgemeester gebruikt als voormalig staatssecretaris van volkshuisvesting zijn contacten om woningcontingenten binnen te slepen. Hij doorbreekt de bescheiden mentaliteit door hardop tegen de inwoners te roepen dat ze trots mogen zijn op hun stad. Tegelijkertijd saneert hij de tekorten op het stadhuis en bewerkstelligt hij binnen het ambtenarenkorps een cultuuromslag. De contacten tussen bestuurders, ambtenaren, bevolking en bedrijfsleven verbeteren aanmerkelijk. “Grote institutionele beleggers deden hier nooit iets. Nu zien ze weer brood in grote projecten.”
Het aantreden van Brokx wordt unaniem gezien als de grote ommekeer in Tilburg. Boekema is echter reëel genoeg om wat kanttekeningen te plaatsen. “Zijn bestuursstijl was soms regentesk. Bovendien vonden tegelijkertijd meerdere ontwikkelingen plaats.”
De belangrijkste ontwikkeling was ongetwijfeld de enorme uitbreiding van de cultuur en het nachtleven. De omwenteling van de stad wordt prachtig geïllustreerd als je aan het eind van de Korte Heuvel gaat staan. Aan één kant staat de schoorsteen van de voormalige Bekaa-textielfabriek, als symbool van het oude Tilburg. Aan de andere kant staat popcentrum 013. En de Korte Heuvel zelf is één lange keten van zo’n twintig cafés en restaurants geworden.
De ontstaansgeschiedenis van 013 is nog wel het allerbeste voorbeeld van de cultuuromslag in de stad. In jongerencentrum de Lieve Hemel in het nabijgelegen Hilvarenbeek zat een groep van zestig tot zeventig muziekfanaten. Het hele gezelschap verkaste begin jaren tachtig naar Tilburg.
“Voor optredens moest je naar de Randstad”, vertelt Frank van Iersel. “Wij zochten een plek voor grote concerten in Tilburg. Aan de Veldhovenring bleek halverwege jaren tachtig een bioscoop te huur. Met een startsubsidie van de gemeente en een borgstelling van de Zusters van Liefde konden we beginnen.”
Noorderligt was geboren. De locatie bleek echter niet ideaal, al was het maar omdat de zaal tegen huizen aan stond. Tegelijkertijd zat het jongerencentrum BatCave zonder eigen honk en was ook de MuziekKantenWinkel (twee repetitieruimten) op zoek naar een nieuwe plek. Die drie stichtingen stapten naar de gemeente met het plan om één gezamenlijk gebouw neer te zetten. Wellicht tot hun eigen verbazing kregen ze de duurste plek van de stad.
Borrel
De vraag is waarom een dergelijk initiatief in Tilburg wel en in andere steden niet van de grond komt. “Je komt elkaar makkelijk tegen, we werken graag samen en initiatieven zijn daardoor snel geboren”, denkt Van Iersel, die tegenwoordig bij 013 werkt. “Veel andere popcentra vragen hoe we in godsnaam met ambtenaren in gesprek kwamen. Nou, heel simpel: met een borrel om tafel gaan zitten. Zo is het begonnen.”
Ongetwijfeld speelt ook mee dat de wethouder zelf een muziekfanaat is. Hij werd legendarisch door, inclusief onafscheidelijke stropdas, te crowdsurfen bij een optreden van hardrockers Motörhead. Tegelijkertijd is hij bij werkelijk alle jazzoptredens. “Hij is de enige wethouder, bij mijn weten, die zelf alle bandjes kent. Na optredens in jazzpodium Paradox is hij niet te beroerd om in pak mee te helpen met opruimen.”
Van Herwijnen is bescheiden genoeg om een andere verklaring te geven voor alle initiatieven op cultureel vlak. “De fabriek en de kerk bepaalden wat hier gebeurde. Ze lieten een vacuüm achter, waar allerlei creatieve geesten insprongen. Bovendien kent iedereen elkaar hier. Verder denk ik dat wij als wethouders heel toegankelijk zijn. Als je ons al niet tegenkomt in de stad, dan valt via een telefoontje wel een afspraak te maken. In Breda hoor ik hele andere geluiden.”
Kunstcluster
De komst van 013 (270.000 bezoekers per jaar, 54 mensen in dienst plus 250 vrijwilligers) zorgde definitief voor een imagoverandering van Tilburg. “Wat 013 voor ons heeft gedaan is met geen pen te beschrijven”, zet Van Herwijnen. “Allerlei andere kwalitatief goede dingen vallen nu ook op.”
Een aantal voorbeelden: de Paradox ontwikkelde zich tot het tweede jazzpodium van Nederland, na het Bimhuis in Amsterdam. De Concertzaal, schuin tegenover het stadhuis, vormt met bijbehorend conservatorium, dansacademie en academie voor architectuur en stedenbouw een uniek kunstcluster. Daar komen straks nog de Academie voor beeldende vorming, de Rock Academie en de Hogeschool voor Drama bij.
Van april tot en met september is in de stad ook nog eens bijna elk weekend wat te doen. De lijst onder de noemer Zomertraktaties is haast eindeloos: Folk Festival, Gypsy Festival, de loopwedstrijd Tilburg Ten Miles, Festival van het Levenslied, de kermis, de concerten in de Muzentuin, het havenfestijn MariVin, Tilburg Wijnstad en ga zo maar door. “We hebben geen binnenstad met middeleeuwse pleintjes, maar veel belangrijker is dat hier van alles gebeurt. Van de schouwburg naar 013 is één horecalint”, zegt de wethouder.
Trouw
Die vloed aan activiteiten blijkt voor velen een erg belangrijke reden om de stad ook na de studie trouw te blijven. Neem nu Roel van Gurp, wethouder van volkshuisvesting. Geboren in Breda, waar hij ook de eerste achttien jaren van zijn leven doorbracht. “Ik kwam in 1975 naar Tilburg. Net zoals vele anderen met de gedachte om vier jaar te studeren en zo snel mogelijk weer weg te wezen.”
Na een half jaar kwam hij terecht in het clubhuis van de volkswijk Broekhoven. “Ik begon het ineens leuk te vinden. Het sympathieke van Tilburgers is de doe maar normaal-mentaliteit. Wat dat betreft is het net Rotterdam. Ook hier ligt het accent op dóen. Ik ben nu bezig aan mijn laatste dagen als wethouder, maar prakkizeer er niet over om weg te gaan. Al houd ik net zo veel van Breda en zit ik om de twee weken bij NAC.”
Professor Boekema herkent Van Gurps verhaal. “Het is leuk te constateren dat studenten tijdens hun studie heel enthousiast worden over de stad en later blijven wonen.” Tilburg heeft volgens hem nog wel een aantal pijnpunten. De economische basis mag dan een stuk breder zijn geworden met verschillende grote werkgevers (KUB, Fontys, Fuji, Interpolis, twee ziekenhuizen), nog steeds ligt het inkomen van de gemiddelde Tilburger relatief laag. Ook de infrastructuur is verre van optimaal, en winkelen is aantrekkelijker in Eindhoven of Breda.
Lelijk
De Katterug, bij uitstek Tilburg’s lelijkste flatResteert een laatste pijnpunt: Tilburg heeft het imago een van de lelijkste, zo niet de lelijkste stad van het land te zijn. “Lelijk is een relatief begrip”, verdedigt historicus Van Doremalen zijn woonplaats. “In Nederland bestaat een traditioneel beeld dat alleen kerken, grachtenpandjes en vestingsteden mooi zijn. Natuurlijk, in Breda heb je de Grote Kerk en een paar fraaie oude panden uit de middeleeuwen. Maar geen stad heeft bijvoorbeeld zo veel mooie gebouwen uit het begin van de twintigste eeuw als Tilburg. Lelijk waren alleen de fabrieken die schots en scheef in de stad stonden, maar die zijn allemaal weg.”
Maakt liefde blind of is de Kruikenstad ineens mooi geworden? Wethouder Van Gurp: “Als ik uit de trein stap en die vreselijke Spoorlaan op moet, voel ik me meteen weer thuis. Dat is zo typisch Tilburg, in al zijn lelijkheid.”
Architect Bedaux is natuurlijk de aangewezen man om definitief uitsluitsel te geven. Zijn vader tekende onder andere de hoogbouw van de KUB en het kantongerecht, zijn eigen bureau is verantwoordelijk voor een groot aantal andere objecten in de stad.
Hij moet toegeven dat ‘de stad zijn lelijke stukken zal houden’. Maar er is hoop. “De laatste tijd worden steeds meer goede ingrepen gedaan, zoals de Concertzaal. Daardoor ontstaat een nieuw stuk stad, met een sterk gezicht. Echt, in de vakpers wordt de huidige architectuur in Tilburg gezien als een voorbeeld voor de toekomst.”